“Sedert vele jaren wordt aan den zuidenlijken Waaloever, even boven het dorp, door den stroom eene menigte van voorwerpen los gespoeld die de rivier zelve vroeger, en sedert vele eeuwen, onder haar slib bedolven had. Ik herinner mij dat binnen een tijdsverloop van drie jaren, de stroom eene groote diepte langs den tegenwoordigen Kloosterwaard uitgeschuurd had, terwijl diezelfde plaats wederom zoo geheel en al met zand werd aangevuld, dat de paarden liepen , waar vroeger vrij zwaar beladen schepen voeren; en een jaar later dezelfde zandvlakte wederom , ook bij lagen waterstand geheel en al verdwenen was.“
Aldus Conradus Leemans in de lange inleiding tot zijn zeer lezenswaardige boek uit 1842: Romeinsche Oudheden te Rossum in de Zalt-Boemelerwaard.
De rivier in zijn wisselvalligheid geeft en neemt ook weer, dat zag in het begin van de in het begin van de 19e eeuw de Zaltbommelse predikant Kist gebeuren aan de zuidelijke Waaloever ten oosten van het dorp Rossum.
De rivier begon, door een stroom tegen de Kloosterwaard gericht, de grondslagen van het klooster Sinte Marienacker weer bloot te leggen. Marienacker was omstreeks 1450 gesticht voor de Zusters van het Gemeente Leven en werd in 1599 tijdens de gevechten tussen het leger van prins Maurits en de Spanjaarden met de grond gelijk gemaakt.
Bij die gevechten werden de oostelijke rivierdijk en het terrein daar zo zwaar beschadigd, dat er tussen 1610 en 1612 een dijk inlage gevoerd moest worden, meer naar het dorp toe op de plaats waar die nu nog ligt. Het kloostergebied werd uiterwaard en in de volgende twee eeuwen zette de rivier op de Kloosterwaard een dikke laag klei af. De Kloosterwaard is het huidige gebied tegenover Waaldijk 1 (Villa Pannekoek) t/m 5 (De Gouden Molen) richting het sluiskanaal.
Predikant Kist beschrijft hoe aan de steile uitgewoelde rivieroever, onder de laag ongeroerde rivierklei ter dikte van 1 meter, een pikzwarte woerdgrond tevoorschijn kwam, waarin allerlei resten van oude gebouwen, fundamenten, vloeren, gemetselde poten en putten zichtbaar waren. Maar nog meer is hij verrukt van de duizenden voorwerpen van Romeinse oorsprong, waaronder bruinrood aardewerk, reuze- amforen en munten.
Conradus Leemans onderzoekt omstreeks 1831 het zelfde oevergebied, op de kaart hierna aangeduid met a—a. Hij vindt daar de overblijfselen van een vrij uitgestrekt gebouw: vloeren van kloostermoppen, een fundament, een steunbeer, een waterput gemetseld op een houten ton en zeer veel puin.
Hierboven is een huidige kadastrale kaart van de Kloosterwaard.
B = de rivieroever in 1832. Tegenwoordig ligt de oever + 125 meter noordelijker.
C = de grens kleilaag en de locatie a—a .
D = de Kloosterdijk naar sluis St. Andries.
K = de Nederlands Hervormde kerk aan de Maasdijk
Met Kist is Leemans van mening, dat dit resten zijn van het oude klooster. Leemans en vele andere verzamelaars halen van het strand en vanonder het puin veel munten en een zeer grote hoeveelheid aardewerkscherven uit de Romeinse tijd weg. Het gaat dan om platte en holle dakpannen, vierkante en ronde tegels en de scherven van bekende typen zoals een kan van blauwe aarde, rood en zwart geverfd wit aardewerken vergulde (gebronsde) potjes. Maar verreweg het meeste materiaal dat Leemans in zijn boek beschrijft bestaat uit terra sigillata, rijk versierde scherven en gestempelde bodems, en munten. Op grond van zijn onderzoek brengt hij het als een niet onwaarschijnlijke gissing”, dat hier sprake was van de overblijfsels van de Romeinse sterkte die bij Tacitus (Romeinse geschiedschrijver die leefde van ca. 55 / 118 na Christus) genoemd wordt als Grinnes en op de kaart van Peutinger aangeduid is met Grinnibus.
Datering, locatie en betekenis van de Romeinse sterkte.
Leemans legt de vestiging van de Romeinse sterkte te Grinnes in de eerste 50 jaar van onze jaartelling en vermoedt het einde daarvan in de tweede helft van de 4e eeuw. Op basis van de gevonden versierde en onversierde terra sigillata met pottenbakkers-merken en de top in de datering van de munten wordt vermoed dat er in het jaar 70 mogelijk een vesting van een castellum, met daaraan voorafgaand een inheemse nederzetting is geweest.
Het vinden van bepaalde Keltische munten in een centraal deel van het rivierengebied wordt verbonden met de komst van de Bataven in de tweede helft van de laatste eeuw vóór Christus in de buurt van Rossum. Het zou gaan om de vestiging van een elitegroep in een strategisch belangrijk gebied, namelijk daar waar de Maas en de Waal dicht bij elkaar komen en waar zich bovendien het kruispunt van twee belangrijke wegen bevond. Later zou daar dan ook een castellum gebouwd worden.
Bij de wegen gaat het om de route van Nijmegen naar het westen en om de noordwaartse route van Tongeren naar de limes. De oost-westroute staat getekend op de kaart van Peutinger. Hij passert Grinnibus en loopt dan vervolgens westwaarts over de stroomruggen van Hurwenen, Bruchem en Delwijnen naar Aalst. De route vanaf Tongeren liep over Rossum en eindigde bij Maurik.
Er zijn door de jaren heen veel vondsten gedaan waaruit we kunnen opmaken dat die in het Rossums kader van belang zijn. Zo bracht een zandzuiger twee kalkstenen wijaltaren tevoorschijn die gedateerd konden worden op de jaren 150 / 250. Andere vondsten waren voorwerpen van brons en een sestertius uit de jaren 37 / 41. Daarnaast zijn er scherven van Romeins aardewerk gevonden gedateerd +70 tot in de 3e eeuw. Het betrof hier de eerde genoemde terra sigillata.
Grootmoedertijd.
Rossum na 1800 is, wat het aanzien als dorp betreft, wel het meest veranderd. Was reeds de korenmolen op de Waaldijk die in 1799 door kruiend ijs verwoest, ook het interieur van de kerk is ernstig beschadigd door legering van soldaten in de Franse tijd. In het begin van de 19e eeuw lag de bouw van huizen enz. vrijwel stil. Na het vertrek van de Napoleontische legers is het dorp een stille plaats. Vanaf 1800 tot 1900 breekt voor het dorp een tijd aan van sloop en watersnood. In het jaar 1848 wordt het rentmeestersslot afgebroken, dat gebouwd was in het midden van de 18e eeuw.
Dan isn in 1859 de Hervormde kerk aan de Maasdijk aan de beurt om vervangen te worden. Het gebouw bestond uit een koor dat opgeknapt was. De oude turfstenen toren was inmiddels overgegaan in eigendom van de gemeente Rossum en is niet gesloopt. De nieuwe kerk, bij de oude toren, gebouwd in 1860, juist in een stijlloos tijdvak, kon direct in gebruik worden genomen. Niet voor de Rossumse Hervormden, maar voor verdrevenen van de watersnood, welke de gehele Bommelerwaard overspoelde in het najaar van 1860. Het noodlot wil, dat na het water, de strenge winter kwam van 1860-1861 want in korte tijd was het dorp met een dikke ijslaag bedekt. Toen het water verdwenen was, waren vele oude huizen er zo slecht aan toe, dat sloop het enige was. Voor diegene die een huis was kwijtgeraakt, bouwde men andere in het buurtschap Rome. Omstreeks 1880 is de Waaldijk verhoogd en de Kloosterdijk rond 1902. De meeste woningen stonden langs de Maasdijk, Koningstraat, Kerkstraat en Hogeweg. In de Burchtstraat stonden maar 7 boerderijen.
Het dorp Rossum was beslist geen groot dorp. De wegen waren verhard met grind en in het midden van klinkers voorzien paardenpad dat in de winter moeilijk begaanbaar was.
Kaart Rossum anno 1838.
In de Kerkstraat werd omstreeks 1850 een R.K.-kerk gebouwd en gewijd aan Martinus, het was een zogenaamde Waterstaatkerk. Deze brandde in 1911 af en werd vervangen door een kerk in neogotische stijl. De school die er bij behoorde was er een waar kinderen van alle gezindten een plaats hadden. Omstreeks 1880 werd een nieuwe school gebouwd met vier klassen en een vestibule aan de Slotsestraat terwijl voor het R.K.-onderwijs eveneens een nieuwe school kwam in de Kerkstraat. Beide scholen zijn afgebroken, Verder zijn omstreeks de eeuwwisseling verschillende oude boerderijen en huizen uit het dorpsbeeld verdwenen. De oude "Van Thielenhof" en het huis van de gebroeders v.d. Poll werden omstreeks 1910 afgebroken. Ook vele hooibergen bij de boerderijen passend in het dorpsbeeld verdwenen. Vele foto's uit grootmoederstijd laten ons een beeld zien van Rossum zoals het in vroeger jaren was. Het was een dorp dat ons nog aanspreekt door zijn fraaie ligging met veel loofhout en lanen.
De aanlegplaats van de boten en de loswal,aan de Waal bij de Gouden Molen, voor bieten enz. heeft zijn functie verloren.
Ook gingen vele huizen verloren door de brand in de Koningstraat van 1929 (6 mei), waarbij storm het ene na het andere huis in vlammen deed opgaan
Enkele families bewaarden wat overbleef uit grootmoeders tijd maar zeer velen ruimden op wat in hun ogen niet belangrijk was. De oorlogsjaren 1944-1945 werkten mee om wat nog bewaard was te helpen vernietigen, soms onvervangbaar.
Heden en toekomst.
Rossum heeft nog lang het karakter van een rivierdorp c.q. dijkdorp vertoond met als kenmerk dicht opeen bestaande bebouwing op een betrekkelijk smalle strook achter de dijk met bovendien een niet-agrarische bebouwing op hoger gelegen gedeelten in het zogenaamde buitengebied, onder meer de Nieuweweg (thans zijstraat H.C. de Jonghweg).
Een aanzienlijk deel van het woningbestand dateert van vóór de eeuwwisseling. De aanvankelijk nogal geïsoleerde ligging, alsmede het feit, dat de lager gelegen komgronden gedurende lange tijd slecht toegankelijk waren, hebben ertoe bijgedragen dat Rossum slecht en moeizaam konden ontwikkelen. Dit isolement heeft bovendien een sterke invloed gehad op de werkgelegenheid, van oudsher bestaande uit landbouw en steenbakkerijen. Tijdens de landbouwcrisis rond 1880 kwam plaatselijk in de Bommelerwaard de fruitteelt tot ontwikkeling, onder andere in Rossum. Aanvankelijk was ook de zalmvisvangst op de Maas en de Waal een belangrijke bron van inkomsten. Door de vervuiling van het rivierwater is hieraan echter geheel een eind gekomen.
Na de tweede wereldoorlog, die ook aan Rossum niet zonder verwoestingen is voorbijgegaan, is de gemeente pas goed uit haar isolement verlost door de aanleg c.q. doortrekking van de Van Heemstraweg naar Zaltbommel. Ook de verbinding met Hedel ('s-Hertogenbosch) werd belangrijk verbeterd.
Tevens werd in Rossum de zo gewenste kernvorming met kracht ter hand genomen, waartoe de noodzakelijke herbouw de mogelijkheid bood en die zich zou voltrekken ten noorden van de Burgemeester van Randwijckstraat.
Thans wordt de laatste hand gelegd aan de ontwikkeling van Rossum-Noord , waar de nieuwe basisschool de Bogerd is gerealiseerd. Als dit plan is afgewikkeld is een groot gedeelte tussen de Burgemeester van Randwijckstraat en de H.C. de Jonghweg is volgebouwd.
Als gevolg hiervan heeft het zwaartepunt van het dorp, dat zich eeuwenlang bevond ter plaatse van het Slot en de N.H.-Kerk. zich na 1945 in (noord)westelijke richting verplaatst. Mede gezien in het licht van de thans geldende opvattingen dat de bestaande kernen, in de zogenaamde groene long, slechts op bescheiden wijze mogen groeien zal er weinig uitbreiding van woningbouw in de toekomst nog gaan plaatsvinden.
De hiervoor bedoelde isolementsverlossing kwam nog beter tot zijn recht door de ten uitvoerlegging van de ruilverkaveling Bommelerwaard-Oost, waarbij het buitengebied van Rossum was betrokken. Deze ruilverkaveling vond plaats in de jaren 1953 tot en met 1956. Het directe doel van deze ruilverkaveling was de komgronden qua structuur beter geschikt te maken voor de landbouw en deze door middel van reconstructie van grindwegen en aanleg van nieuwe wegen (tot een gezamenlijke lengte van + 30 km) te ontsluiten. Het gevolg hiervan was dat verschillende landbouwers hun bedrijven verplaatsten naar deze komgronden.